Op deze pagina wordt beschreven hoe de Varianthaus bekistingstenen moeten worden toegepast. Als de beschrijving te wensen over laat, doen de foto's hun werk.

Raster:

De VARIANT-HAUS®-steen heeft aan de bovenzijde neuzen en aan de onderzijde gleuven die zo gerang-schikt zijn dat de elementen zowel parallel als ook in een rechte hoek naar de muur in de rastermaat van 5 cm ineengestoken kunnen worden. Voor de architect betekent dit dat hij alle bouwtekeningmaten kan realiseren die precies door 5 cm deelbaar zijn.

 

Fundering:

Een zorgvuldig uitgevoerde fundering is van cruciaal belang zowel voor een gesmeerd verloop van de gang van zaken bij het bouwen als voor de exactheid van het gehele toekomstige gebouw. Een verdere eis is de vermijding van een warmtebrug. In Nederland wordt veelal een stokenfundering toegepast. Voor laagenergie en passiefhuizen voldoet deze fundering niet. In Duitsland en Scandinavische landen wordt veelal een plaatfundering toegepast. Deze kan relatief eenvoudig met drukvaste isolatieplaat (bijvoorbeeld Styrodur van BASF) worden uitgevoerd.

 

Hoek en T-verbindingen:

De frontale openingen worden met eindstukken gesloten. Daardoor wordt de isolatielaag in dit bereik nergens verminderd. Bij onze 35cm of 45cm buitenmuurstenen heeft men voor elk einde dat gesloten moet worden met eindstukken.

 

Snijden:

 Alle Neopor®-stenen laten zich binnen enkele minuten snel delen met een gewone zaag. Voor de verwerking van onze 35- en 45cm stenenadviseren wij het gebruik van een elektrische zaag of van een gloeidraadsnijder.

 

De eerste drie rijen:

Na het aanbrengen van de fundering kunnen de eerste drie rijen ineengestoken worden. Bij deuropeningen wordt de eerste rij als afstandhouder ook doorgetrokken. Vervolgens worden de muren exact in de tevoren op de grondplaat aangegeven stand gezet.

 

Bevestigen met bouwschuim:

Na het stellen van de eerste 3 rijen kunnen met purschuim de muren op een afstand van 25 cm aan de grondplaat worden gefixeerd. Als de elementen wegens geringe oneffenheden niet over het gehele vlak uitliggen, moeten deze holtes onder de muren met bouwschuim uitgespoten worden. Dit voorkomt later bij het vullen dat de muur verzakt of kromtrekt.

 

Wapening:

In een bekistingsteen is een uitsparing voorzien waarin horizontale verdeelwapening Ø 8 mm kan worden aangebracht, De wapening daar plaatsen waar de trekkrachten ontstaan, d.w.z. de horizontale verdeelwapeningen in de groeven leggen die naar de binnenzijde van de ruimte wijzen. In de eerste, vijfde en laatste rij de horizontale verdeelwapeningen in beide gleuven leggen.

 

Nadat de stenen ter hoogte van een verdieping ineengestoken zijn, worden de loodrechte staalijzers erin gestoken. De loodrechte ijzers worden op een onderlinge afstand van 15 cm tussen de dubbele verdeelwapeningen van de eerste, vijfde en laatste rij ingezet. Zo komen de loodrechte staalijzers vast te staan en kunnen bij het betonneren niet verschuiven. Stekeinden uit de grondplaat zijn gewoonlijk niet nodig, kunnen bij sterke trekkrachten (wervelstorm etc.) echter een positief effect hebben.

 

Horizontale afdichting:

Om de wanden tegen opstijgend vocht te beschermen kan een laag van 2-3mm afdichtingsspecie in de blokken worden aangebracht. In de regel hoeft dit niet, maar in regio’s met hoge grondwaterstanden kan afhankelijk van de soort fundering deze bescherming nodig zijn.

 

Wanden stellen:

Omdat er flinke krachten door het gestorte beton ontstaan en een verschil in constructiesterkte is tussen de 5cm binnenwand en 15 of 25cm buitenwand is het verstandig om tijdens het storten de binnenwanden te ondersteunen. Ook op plekken waar in de binnenkern leidingen zijn verwerkt moeten worden ondersteund. Hiervoor zijn speciale stelprofielen die teven te gebruiken zijn als loopsteigers beschikbaar. Het alternatief is het storten van het beton in lagen van maximaal 5 stenen hoogte.

 

Beton en vulproces:
Muren vullen zonder wapening (in de regel alle etagemuren): betonkwaliteit volgens statica, minimaal echter C20/C25 – maximale korrelgrootte 15 mm – zetmaat 45 cm – vulhoogte in de eerste rondgang max. 75 cm – extra verdichting volgens deskundig rapport niet noodzakelijk. Bij gebruik van zachter beton met een grotere zetmaat, wordt de vulhoogte van de eerste werkstap verminderd. Bij beton met een maximale korrelgrootte van 8 mm is in de regel geen verdere verdichting meer noodzakelijk. Het is raadzaam om de wand af te kloppen en zo te controleren of er holle plekken zijn.

 

Vulproces met een autobetonpomp en transportbeton:
Gewoonlijk wordt beton met behulp van een autobetonpomp gevuld. De onderstaande aanwijzingen zijn gebaseerd op een jarenlange ervaring met het machinaal vullen van bekistingselementen. De autobetonpomp moet traploos regelbaar zijn en voorzien zijn van een valbreker. Degene die de pomp bedient moet over jarenlange ervaring beschikken. Hij moet indien nodig ook in staat zijn om geringe transporthoeveelheden te pompen en de eindslang zonder problemen precies boven de muur te plaatsen.

Bij het vullen moet erop gelet worden dat de betonstraal steeds op een lijf van bekistingselementen gehouden wordt.

 

Plafondafsluiting:

Bij een traditionele verwerking moet de plafondkrans rondom bekist en moeten de bekistingsplanken in de muur verankerd worden. Alternatief kan er buiten afgemetseld worden. Bovendien is de plafondafsluiting een van de meest voorkomende warmtebruggen. Daar kunnen zich stofstroken aan de buitenbepleistering aftekenen, er kan condenswater aan de binnenkant van het plafond ontstaan met scheurvorming en warmteverliezen als gevolg daarvan. Dorpel en bovenste vensteraansluiting: De dorpel is een plek die gewoonlijk gevoelig is voor warmtebruggen. Niet zelden is de warmte-isolatie in dit gedeelte zo ontoereikend dat daar niet alleen een grote warmteafvloeiing plaatsvindt, maar ook 's winters zelfs condenswater aan het binnenoppervlak ontstaat als de temperaturen ongunstig zijn. Dit gebeurt vooral dan als gebruiksklare dorpels van metselwerkaanbieders zonder extra isolatie gebruikt worden, want daar is om statische redenen het gebruik van materiaal met een dichte structuur noodzakelijk hoewel het duidelijk ongunstigere warmte-isolatiewaarden heeft. De doorgaande, warmtebrugvrije isolatielaag is op geen enkele plaats verminderd. De warmte-isolatie bij de VARIANT-HAUS®-dorpel is gelijk aan de warmte-isolatie van de muur.

 

Vensteraansluitingen aan de zijkanten:

De tegenwoordig gangbare raamkozijnen van hout en kunststof hebben U-waarden tussen 1,5 en 2 W/(m²K). Dit warmteverlies kan voor een deel beperkt worden en als men het buitenste uitstralingsvlak reduceert en de kozijnen in een aanslag van isolatiemateriaal inbouwt.

Met alle muurelementen van VARIANT-HAUS® kunnen probleemloos 5 cm diepe vensteraanslagen uitgevoerd worden. Eenvoudig het bovenste en onderste eindstuk bij het hardschuimlijf insteken en binnenste muur 5 cm inkorten - klaar!

 

Afdichting

Horizontale afdichting:

Nadat de eerste drie rijen ineengestoken zijn en na het nivelleren, inrichten en vasthechten met montageschuim, wordt er vloeibare afdichtingsspecie van boven in de elementen gegoten, zodat de grond 2 – 3 mm dik bedekt is. Naast de opstijgende vochtigheid overbrugt de afdichtingsspecie ook fijne scheurtjes tussen muur en vloer. Bij geringe vochtoverlast, bij uitvoering van de grondplaat en van de muur met waterondoorlatend beton en bij een zorgvuldige uitvoering van de capillair brekende werkvloer kan men ook afzien van afdichtingsspecie. In de handel verkrijgbare banen asfaltbitumenvilt zijn ook als eerste scheidingslaag aan te bevelen.

 

Verticale afdichting:

Oplosmiddelvrije eencomponentenbitumenmassa. Het is niet meer nodig om de buitenvlakken in de aarde te pleisteren. De afdichtingsmassa's kunnen direct aangebracht worden. Daarna het oppervlak met een straatbezem vegen. Het wordt zo van vuil en stof bevrijd en tevens iets opruwd om het hechtvermogen te verbeteren. Nu moet er gewoonlijk een grondlaag volgens aanwijzing van de fabrikant opgesmeerd worden. Daarna het oplosmiddelvrije bitumenplamuur direct met een pleisterspaan 3-5 mm dik aanbrengen. Er moet rekening mee gehouden worden dat deze eencomponentenmaterialen waterhoudend zijn. Om dit te verwerken heeft men regenvrij weer nodig. Als het direct na het plamuren regent en het oppervlak niet afgedekt is, was het werk vergeefs, omdat het materiaal dan weggespoeld wordt. Het wateraandeel van dit materiaal moet bovendien goed uitdrogen. Pas als het volledig doorgedroogd is, mag het betongrind 0-32 mm aangeaard worden. Deze aanaarding is het ideale geval, enerzijds is dit gunstig omdat het bitumenplamuur niet beschadigd wordt en anderzijds is het van voordeel dat het water gefilterd wordt. De teelaarde wordt weliswaar in de bouwput gebracht, maar niet tot de buitenmuur. De laatste 30-40 cm naar de muur toe wordt het betongrind erin gestort, dan wordt alles laag voor laag verdicht.